De hedendaagse economie is onlosmakelijk verbonden met rente. Dit is een begrip dat tezamen met rendement een allesoverheersende rol is gaan spelen in de afgelopen neoliberale decennia in de wereldwijde economie. In de economie van begeerte is rente of rendement de winst op geïnvesteerd of uitgeleend vermogen. Het is een boom die tot ongrijpbare en onpeilbare hoogte in de hemel groeit. Samengestelde rente is een exponentieel begrip, want vermogen vermeerdert met rente waarover vervolgens weer diezelfde rente wordt gerekend. Dit is de simpele doch verfoeilijke basis van de groeiende ongelijkheid in de samenleving tussen de haves en have-nots: degenen met een aanzienlijk vermogen en degene die niet over welke vorm van vermogen dan ook beschikken. Het is de grootst mogelijke denk- en weeffout in het kapitalistische systeem die gemaakt is. Er is totaal geen verhouding meer tussen de opbrengst van vermogen middels rente en het inkomen dat verworven is door geleverde prestaties in de vorm van tijd en arbeid. Dit inkomen is voor verreweg de meerderheid van mensen bij lange na niet toereikend om enige vorm van vermogen op te bouwen. De groep vermogenden wordt allengs rijker door de exponentiële rentewerking. Daarnaast kan deze vermogende laag zichzelf in stand houden en verder verrijken door belastingontduiking en –ontwijking vanwege vele mazen in fiscale wet- en regelgeving. Kapitaal is in een steeds mondialer opererende wereld steeds vluchtiger van karakter aan het worden. Het is bij wijze met een druk op de knop weg te sluizen naar een veilige belastinghaven.

Banken spelen eveneens een zeer kwalijke rol in het renteverhaal. De rentemarges zijn gigantisch. Hypotheekrentes worden stelselmatig veel te hooggehouden, waardoor burgers meer voor hun hypotheek betalen dan strikt noodzakelijk is. Voor de rentes op verstrekte leningen aan ondernemers geldt hetzelfde met als gevolg dat ondernemers veel meer moeten betalen voor hun krediet dan nodig zou moeten zijn. Dit belemmert hen in hun ondernemingsvrijheid en drijft het algemeen prijsniveau navenant op. Uiteindelijk is de consument in dit kringetje altijd weer de dupe. Groei van de (lokale) economie wordt getemperd vanwege inflatie als bijproduct van het prijsopdrijvende effect van rente in het algemeen en de daling in koopkracht van het deel dat burgers aan rente moeten betalen in prijzen van produkten en leningen in het bijzonder. Rente is derhalve een belemmerende factor voor een florerende economie die ten goede komt aan de samenleving als geheel. Het is een instrument voor de rijke elite om groei te kunnen laten doorgaan tot in lengte der dagen.

Banken onderling kunnen vrijwel kosteloos geld lenen van elkaar en van centrale banken. Spaarrentes voor het volk daarentegen zijn al onder de 1% gezakt, waardoor sparen nagenoeg niets meer oplevert. Zeker niet als je dit afzet tegen de huidige vermogensrendementsheffing van 1,2%. Sparen kost de consument dus gewoonweg geld! Zeker voor de consument die maar over een klein vermogen beschikt en niet op de hoogte is van het eerder vermelde spel van schuiven met vermogens om vermogensbelasting te ontwijken. Zo wordt dus de gewone niets vermoedende en niet al te rijke burger zelfs de mogelijkheid afgenomen een vermogen op te bouwen. Sterker zijn vermogen neemt af als hij/zij wat geld opzij legt! Banken berekenen daarnaast gigantische debetrentes voor roodstanden van soms wel meer dan 12%. Om van kredietverstrekkers nog maar te zwijgen. Kredietrentes van meer dan 20% zijn geen uitzondering in deze kringen.

Banken waren van oudsher deugdzame instellingen waar men een extraatje in vertrouwen in beheer kon geven. Eigenlijk zijn banken per definitie publieke nutsbedrijven. Met het in vertrouwen gegeven vermogen dat wereldwijd begon te groeien zijn de afgelopen decennia echter onverantwoorde risico’s genomen. Tezamen met de beurzen en belegginsinstellingen is een soort van wereldwijd casino tot stand gekomen, waarin onnavolgbare kapitaalstromen in even zo ondoorzichtige producten en navenante handelsstromen zijn ontstaan. Banken hebben ook stelselmatig teveel geld uitgeleend dat niet eens bestond. Deze bubbel van teveel uitgeleend imaginair geld ten opzichte van daadwerkelijk fysiek in kas aangehouden liquiditeiten is een van de redenen van het ontstaan van de kredietcrisis van 2008. Geld dat dus niet bestaat en waarvoor de bank ook nog eens (woeker)rente over vraagt van de consument en het bedrijfsleven. Denk aan de eerder genoemde hypotheken en kredieten. We zijn met z’n allen schuldslaven geworden, die dus niet bestaand geld moeten terugbetalen met daarover nog eens een flinke rente. Hoe krom kan het zijn….

Rente als zijnde de winst op uitgeleend geld is dus per definitie niet te verklaren. Zeker niet als je bedenkt dat geld een ruilmiddel moet zijn; een smeerolie voor de maatschappij en diens economie. Denk aan opstartende bedrijven die wel moeten lenen om een aanvang te kunnen maken met het ondernemen van economische activiteiten. Banken moeten dan ook absoluut terugkeren naar hun core business van het nutsbedrijf zijn: geld aannemen dat als overschot uit de economie komt en uitlenen aan bedrijven en consumenten die geld tekort hebben.

Rente moet vervangen worden door een leengarant stelsel: wereldwijd risicospreidend lenen. Banken lenen geld uit en moeten daarbij het risico aanvaarden dat ze minder geld terug zouden kunnen krijgen als dat ze uitgeleend hebben. Aan de andere kant moeten ze mee profiteren als succes wordt behaald ofwel winst wordt gemaakt met het uitgeleende geld. In het geval van hypothecaire geldleningen zou een bank dus zowel moeten delen in het verlies als in de winst bij de verkoop van een huis waarop de hypotheek rust. Bij bedrijfskredieten zou je kunnen denken aan een opslag op de aflossing van de lening in jaren dat er winst gemaakt wordt en een vermindering van de aflossing in jaren dat er verlies gedraaid wordt of in opstartjaren. Risicospreidend lenen om de maatschappij en economie te smeren en te ondersteunen. Banken als financiële pijlers onder het fundament van de samenleving.

Op deze manier gaan banken de daadwerkelijke nutsfunctie vervullen: de economie en de samenleving van geldelijke middelen voorzien om deze verder vooruit te helpen. En niet om door middel van rente over dat verstrekte geld hun verdienmodel alleen maar verder uit te buiten met de inherente verwerpelijke bonuscultuur. Banken worden weer van nut voor de maatschappij in plaats van dat de maatschappij een slaaf van de banken is en de exhibitionistische zelfverrijking en hebzucht van de bankbestuurders en private aandeelhouders financiert. Banken moeten dan ook per definitie in eerste instantie genationaliseerd worden en vervolgens zo snel mogelijk door de regering in burgeraandeelhouderschap overgedragen worden. Om zo te garanderen dat ze in het voordeel van de samenleving als geheel functioneren. Niet meer en niet minder.Banken onderling kunnen vrijwel kosteloos geld lenen van elkaar en van centrale banken. Spaarrentes voor het volk daarentegen zijn al onder de 1% gezakt, waardoor sparen nagenoeg niets meer oplevert. Zeker niet als je dit afzet tegen de huidige vermogensrendementsheffing van 1,2%. Sparen kost de consument dus gewoonweg geld! Zeker voor de consument die maar over een klein vermogen beschikt en niet op de hoogte is van het eerder vermelde spel van schuiven met vermogens om vermogensbelasting te ontwijken. Zo wordt dus de gewone niets vermoedende en niet al te rijke burger zelfs de mogelijkheid afgenomen een vermogen op te bouwen. Sterker zijn vermogen neemt af als hij/zij wat geld opzij legt!

Banken berekenen daarnaast gigantische debetrentes voor roodstanden van soms wel meer dan 12%. Om van kredietverstrekkers nog maar te zwijgen. Kredietrentes van meer dan 20% zijn geen uitzondering in deze kringen.

Tekst Michel van der Wiel